Carel Carré, van Antwerpen naar Amsterdam (16e/17e eeuw)

In de Oostenveld tak komen we via een lange rij directe voorouders uit bij Carel Carré, in de archieven ook terug te vinden als Karel/Charles Cre/Caree/ Quarré/ Kare enz. De reis voert ons via Makkum, Gaasterland en Leeuwarden terug naar het Amsterdam van 1596. Een periode waarin de stad een grote bevolkingsgroei doormaakte, mede door de toestroom van immigranten en vluchtelingen uit de zuidelijke Nederlanden.

Onze Carel was een van hen. In de ondertrouwregisters van Amsterdam op 13 juni 1596 lezen we dat ‘Carel Carree van Antwerpen 25 jaar oude en wonende al 8 jaar aan de Betanienstraet’, van plan is om in het huwelijk te treden met Barendje Jansdr van Zwolle, 28 jaar oud. De ondertrouwakte ondertekent Carel met een bijzonder merkteken.
Carel en zijn vrouw Barendje krijgen vier kinderen, drie dochters en zoon Jean (1603), de volgende in onze lijn van voorouders.
Als Jean 14 is, komt zijn moeder te overlijden. Vader Carel trouwt korte tijd later met zijn tweede vrouw Trijntje Louris. Uit dat huwelijk worden geen kinderen geboren. Eind 1620, begin 1621 komt Carel te overlijden. Hij is dan rond de 50 jaar oud en heeft een werkzaam leven als metselaar/steenhouwer achter de rug. Sporen hiervan zijn ook nu nog terug te vinden in Amsterdam.

Het leven in Amsterdam
Hoe verliep Carel zijn leven als immigrant in de stad Amsterdam? Hij zal hier rond 1587 of eerder vanuit Antwerpen zijn aangekomen. Wellicht heeft zijn verhuizing te maken met het Beleg van Antwerpen tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1584-1585). Dit beleg zorgde voor het einde van de Gouden Eeuw van Antwerpen en maakte daarmee de weg vrij voor Amsterdam als handelsstad.
In het Poorterboek van Amsterdam komen we op 28 en 29 november 1597 twee registraties tegen van Carel Carre uit Antwerpen. Hij koopt hiermee voor 8 guldens privileges waarmee hij bepaalde beroepen mag uitoefenen of lidmaatschappen mag houden. Zeer waarschijnlijk heeft Carel de Poorterschap nodig gehad om toegang tot de Metselaarsgilde te krijgen, waar onder andere steenhouwers toe behoorden. In het boek staat te lezen:
“Carel Care van Antwerpen steenhouwer heeft sijn poorter eedt gedaen ende den tresorieren het poorter ghelt betaelt, Actum den xxix november xrbij, 8 gulden”
Het doen van de poorter eed leverde Carel een aantal voordelen op: alleen poorters konden ambten bekleden bij de stedelijke overheid of lid worden van een gilde – een voorwaarde voor het uitoefenen van de meeste beroepen. Kinderen van poorters die wees werden mochten in het Burgerweeshuis worden opgenomen. Andere wezen gingen naar minder goede weeshuizen van kerken en liefdadigheidsinstellingen.

Metselaarsgilde
De Metselaarsgilde was een gilde waarbij  diverse beroepen aangesloten waren, zoals metselaars, steenhouwers, loodgieters, beeldhouwers en steenbakkers. Zonder lidmaatschap mocht je deze beroepen niet uitoefenen.
In de boeken van het gilde vinden we een aantal registraties van Carel terug. In de gildeleden registratie 1612-1613 wordt Karel Kare als steenhouwer genoemd.  En in januari 1618 lezen we: ’Steenhouwer Carel Carels neemt een leerjongen aan genaamd Jan Carels’. Waarschijnlijk is dit zoon Jean die op dat moment bijna 15 jaar is. Met de schrijfwijze van namen nam men het niet zo nauw in die tijd. De Metselaarsgilde was vanaf 1614 gevestigd in De Waag, één van de oudste gebouwen van de stad. Uit deze tijd stammen ook de zogenaamde Meesterproeven in de toren en vergaderzaal. Door het metselen van een Meesterproef kon een metselaar zijn vakmanschap aantonen om lid te mogen worden van het gilde. De toegang van het metselaarsgilde, met het reliëf van de man die trots zijn troffel in de hand houdt, is gemakkelijk te herkennen.

Werken van Carel Carre
Uit diverse aktes blijkt dat Carel meewerkte aan projecten in Amsterdam, waarbij hij ook met andere handwerkslieden samenwerkte:

  • Op 7 september 1611 erkende Carel Caree, steenbeeldhouwer, de som van 539 gulden van Margrite Halfmere voor beeldhouwwerk en timmerwerk. Deze akte ondertekende Carel met zijn merkteken. Dit is de enige akte, voor zover bekend en buiten de ondertrouwaktes, die hij ondertekende met zijn merkteken.
  • Op 7 februari 1617 sloten Carel Care, steenhouwer en Octaeff Laurens een overeenkomst voor het maken van schoorstenen. Carel Care zou 200 f. ontvangen voor de onderneming zonder rente op zijn investering te eisen. Octaeff Laurens zou 15 stuivers per dag krijgen bij het werken aan deze posten. De winsten bovenop de arbeidskosten moesten half om half worden gedeeld.
  • Steenhouwwerk nieuwe Burgerweeshuis vanaf 1598.
  • Overwelving van de Begijnensloot voor de bouw van een huis aan de St.-Luciensteeg. Dit was ook in opdracht van het weeshuis. Op 1 juli 1618 werd een uitbetaling gedaan van 48 gulden 9 stuivers voor steen en arbeidsloon ‘ande bruch int weeshuys gemaikt…’.
  • Natuurstenen ornamenten aan gevels van twee huizen achter het Karthuizerklooster (eigendom Burgerweeshuis). Dit was het laatste werk wat Carel voor het weeshuis maakte. Op 20 september 1620 ontving hij zijn laatste betaling van 20 gulden 17 stuivers.
Toegangspoortje brouwerij Burgerweeshuis met het jaartal 1606 op de bovendorpel

Vastgoed
Carel was een welgesteld man, wat op te maken is uit het feit dat hij bepaalde privileges had als Poorter, en de uitvoering van steenhouw opdrachten vaak op eigen risico voorfinancierde. Ook uit diverse oude notariële aktes blijkt dat Carel vermogend was en in vastgoed investeerde.
Op 13 januari 1611 koopt hij een ‘Huis en erf, bij de Nieuwezijds Kolk aan de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam voor 2000 carolus guldens’. Borg staat onder andere Lenart Tonis schipper Leidseveer. Carel verkoopt het huis weer op 7 mei 1614 aan Jan Reijersz met de aanvullende informatie “Huis en erf, bij de Nieuwezijds Kolk (Kolk) strekkende voor van de burgwal tot achter in de Sint Jacobsstraat”. Hier staat vandaag de dag het Politiebureau Amsterdam Burgwallen.
Op 15 januari 1627 verkopen de kinderen en erfgenamen van Carel Carre vier huizen met erf in Amsterdam. Bijzonder om te lezen is dat Carel veel huizen bezat in de buurt van de Heiligewegspoort in Amsterdam. Deze poort stond destijds aan het einde van de Heiligeweg op het Koningsplein. In die tijd nog van hout, vanaf 1637 vervangen door een stenen versie. In 1664 werd de functie van de poort overgenomen door de zuidelijker gelegen Leidsepoort en werd de Heiligewegspoort afgebroken.

Drie van de verkochte huizen bleven binnen de familie. Het huis en erf over het Leidse Veer aan de Koningsgracht (de hedendaagse Singel), genaamd de ‘Rot Steen’ ging voor 3840 gulden naar Pieter Emanuel van Dijk, steenhouwer. Pieter was de echtgenoot van Paschijntje, dochter van Carel Care. Borgen waren Hendrick Fredericksz., bierdistributeur (bierbeschoijer) en Gerrit Woutersz metselaar.
Een tweede woning (huis en erf) aan de Koningsgracht werd voor 2950 gulden verkocht aan Jan Jansz. Doorn, steenhouwer. Hij was de tweede echtgenoot van Annetje Carels, oudste dochter van Carel Care. Borgen waren Joost Joostensz slager (speckcooper) en Jan Egbertsz Bisschop.
Als laatste werd een huis en erf staande ‘aen den vesten’ verkocht aan Jan Carels, steenhouwer, zeer waarschijnlijk de zoon van Carel Care geboren in 1603, voor 1120 gulden. Borgen zijn Dirk Dirkxz Leuben en Lennaert Teunisz Veerschipper op Leijden.
Opvallend is dat er meerdere steenhouwers in de familie waren, ook aangetrouwd. Kennelijk vonden de dames hun echtgenoten binnen het milieu waarin zij opgroeiden.

Tot zover dit inkijkje in leven en werken van onze verre voorouder Carel Carré in Amsterdam. Volgende keer duiken we in een recenter stukje geschiedenis: hoe twee wereldoorlogen ervoor zorgden dat mijn beppe Tine uit het Friese Makkum het grootste deel van haar leven doorbracht in Tirol.

Bron: https://www.goedhart.family/carel-carre-1571/

Liefde in het weeshuis

In dit eerste blog gaan we naar het Leeuwarden van eind 18e eeuw. Voorvader Wijnand S. Velds wordt daar op 29 maart 1771 geboren als zoon van IJtje Klinkhof en Steven Velds. Moeder IJtje overlijdt zo’n twee weken na de geboorte in het kraambed. Vader Steven overlijdt drie jaar later, in juli 1774. Hij laat vier kinderen achter: dochters Anna, Gertie en  Johanna en z’n jongste zoon, de 3-jarige Wijnand

Vader Steven was metselaarsgezel, turfdrager en soldaat onder de Compagnie Vriessche Guardes in garnisoen tot Leeuwarden.  Moeder IJtje kwam uit een niet onbemiddelde familie. Vlak voor haar dood in maart 1771 erven zij en haar zuster Anna uit de nalatenschap van vader Johan Siliach Kleinkhof (ook: Jan Ciliacq Klinkhoof) elk een huis aan het Heer Ivostraatje onder de rook van de Oldehove. Na het overlijden van Steven wordt in oktober 1774 het huis van IJtje verkocht om aan de hypothecaire schulden te kunnen voldoen.

Heer Ivostraatje vóór de sloop van de familie Klinkhof huizen

Dochter Gertie wordt in oktober 1774 ‘uit liefde en gratie’ aangenomen in het Old Burgerweeshuis in Leeuwarden. Wat er met Anna en Johanna gebeurt is niet bekend.  De kleine Wijnand wordt op verzoek van tante Anna Klinkhof in januari 1775 opgenomen in het Nieuwe Stadsweeshuis aan het Jacobijnerkerkhof in Leeuwarden (nu Natuurmuseum Fryslân).

In het weeshuis ontmoet Wijnand zijn toekomstige echtgenote Anna Keta. Zij wordt er in 1787 op 14-jarige leeftijd opgenomen na het overlijden van haar  moeder Japikje Oosterdam. Haar vader Hendrik Keta, baardscheerder te Leeuwarden, is al eerder overleden.

Wijnand en Anna blijven tot hun huwelijk op 21 mei 1797 in het weeshuis wonen. Dat het Wijnand daar goed verging, blijkt uit het feit dat hij op 10 maart 1794 een premie voor betoonde vlijt, naarstigheid en voorbeeldig gedrag ontvangt. Het is een vlijtige en ambitieuze jongen die al op 11-jarige leeftijd als leerling bij zilversmid Hendrik Dauw aan de slag gaat. De eerste twee jaren van zijn 4-jarige opleiding tot zilversmid, gaat hij daarnaast ’s middags nog naar school.
Wijnand is in ieder geval tot begin 1799 werkzaam als zilversmidsknecht. Op 1 februari van dat jaar is hij bij zilversmid Jacobus Smeeding in Leeuwarden getuige inzake diefstal van een zilveren snuifdoos.

In juli 1799 vertrekken Wijnand en Anna met zoontje Steven (1798) naar het zuidelijk van Leeuwarden gelegen dorp Idaard, waar Wijnand aan het werk gaat als onderwijzer, organist en dorpsontvanger.
Deze opmerkelijke carrièreswitch heeft hij te danken aan heer Cornelis van Scheltinga, op dat moment kerkvoogd van Idaard. Een bediende van Van Scheltinga krijgt les aan de zangschool die Wijnand en Anna aan hun woning hebben. Via deze bediende komt Wijnand in contact met de kerkvoogd, en uit de gesprekken wordt het heer Van Scheltinga duidelijk dat de jongeman een bijzondere voorliefde voor het onderwijs heeft. Wanneer de dan actieve schoolonderwijzer in Idaard komt te overlijden, is de keus snel gemaakt. Wijnand wordt voorgedragen als opvolger en aanvaardt de post.

Wijnand blijft z’n ambt in Idaard uitoefenen tot zijn overlijden in 1844, hij is dan 73 jaar. Hij was een bevlogen onderwijzer, die bekend stond om orde en rust, vredelievendheid en het kweken van eensgezindheid. Hij was geen man van theorie, wel een natuurtalent in de omgang met zijn leerlingen. Hij hield van de oprechtheid, onschuld en eenvoud van kinderen en kon kind met hen zijn, zonder iets van zijn overwicht te verliezen. Wijnand was een vroom man, maar stroef of somber was hij zeker niet. Hij was een goed mens, vrolijk en opgeruimd en vol geloof en liefde.
Dit alles bleef in de omgeving niet onopgemerkt. Al gauw stond hij bekend als een uitmuntende onderwijzer en opvoeder. Dit had tot gevolg dat het aantal leerlingen door toestroom uit naburige plaatsen meer dan verdubbelde. Een deel kwam uit het veel grotere Grouw, waar meer traditioneel onderwijs werd gegeven.

Onderwijs en muziek speelden een grote rol in het gezin Velds. Anna was onderwijzeres bij een deftige familie en heeft een zangschool opgericht. Beide zonen traden in het voetspoor van hun vader. Oudste zoon Steven was in volwassen leven muziekmeester en organist in de Martinikerk in Sneek. Hij adviseerde bij de bouw van diverse kerkorgels in Friesland. Hendrik, als tweede en laatste kind geboren in 1802, was z’n hele leven werkzaam als onderwijzer in Jellum.

Sint Gertrudiskerk in Idaard

Wijnand overlijdt op 7 oktober 1844 in Idaard en wordt op zijn verzoek door een aantal van zijn vroegere leerlingen ten grave gedragen. Bij zijn overlijden was Wijnand naast schoolmeester: organist, koster, voorzanger en klokkenist. Z’n grafsteen is tot op heden in Idaard bewaard gebleven, waar hij fungeert als bestrating nabij de waterput van het kerkhof.

Anna blijft achter en vertrekt in 1863 naar zoon Hendrik in Jellum. Hier overlijdt ze een jaar later op de hoge leeftijd van 91 jaar.  

Welkom

Mijn naam is Petra Oostenveld en mijn bestaan dank ik aan de twee wereldoorlogen in de 20e eeuw. Om te onderzoeken waar ik vandaan kom ben ik de afgelopen jaren diep in mijn familiegeschiedenis gedoken. Dit bracht me naar o.a. Friesland, Oostenrijk en Tsjechië. Veel van mijn voorouders heb ik beter leren kennen, en hun verhaal wil ik hier graag delen. Ga je mee op reis door mijn, en wellicht ook jouw, verleden?